Profielvariabelen zijn de variabelen die u in de grafiek of tabel wilt tonen. Een variabele is een (meet)waarde van de installatie. Er zijn veel verschillende soorten variabelen mogelijk, een variabele kan bijvoorbeeld zijn: verbruikte hoeveelheid gas, softwareversie of temperatuur.  Voor profielvariabelen kunt u onder andere instellen met welke naam, lijnkleur en  lijndikte deze in de grafiek worden weergeven.


Volg de volgende stappen om een profielvariabele te wijzigen.

1. Klik achter de variabele die u wilt wijzigen op Profielvariabele wijzigen.

De weergavenaam wordt grijs weergegeven als deze niet is gewijzigd in het profiel. De standaard weergavenaam die is ingesteld onder Instellingen Installatietypes Variabelen wordt dan weergegeven.

Hieronder worden alle wijzigingsopties kort toegelicht.


Logvariabele

Klik op om een andere logvariabele te selecteren. 

Weergavenaam

Dit is de naam die wordt weergegeven voor de logvariabele in de grafiek of de tabel.

Eenheid

De eenheid wordt automatisch ingevuld als u een logvariabele kiest. Hier kunt u de eenheid wijzigen waarmee de logvariabele in de analyse wordt getoond.

Gradiënt

Hier kunt u optioneel een gradiënt kiezen. Een gradiënt wordt gebruikt voor de tabelweergave. Door het instellen van een gradiënt krijgt de cel een kleur op basis van de waarde, hierdoor zijn afwijkingen eenvoudiger te herkennen. Om een gradiënt te kunnen kiezen, moeten deze ingesteld zijn onder Instellingen Analyse Gradiënten.

As

Hier kunt u optioneel een as kiezen. Als u een as instelt, dan staan het minimum en het maximum van de y-as vast. Als u geen as kiest, dan schaalt de y-as mee met de waarden van de variabele. Om een as te kunnen kiezen, moeten deze ingesteld zijn onder Instellingen Analyse Assen.

Grafiektype

Mogelijke grafiektypes zijn: binair, lijn, punten, staaf of stap.

Markertype

Met het markertype wordt een meetpunt aangegeven in de grafiek.

Mogelijke markertypes zijn: cirkel, driehoek, driehoek (punt naar beneden), geen, ruit of vierkant.

Kleur

Dit is de kleur van de grafieklijn. Klik op het gekleurde of zwarte vlakje ernaast om een kleur te kiezen.

Lijndikte

Dikte van de grafieklijn. Min: 1, max: 20.

Volgorde

De volgorde geeft aan welke variabele eerst wordt weergegeven in de grafiek of tabel. Hoe lager het nummer, hoe eerder het in de legenda wordt weergegeven. Lijnen van variabelen met een lager nummer liggen ook hoger in de grafiek. Als variabelen hetzelfde nummer hebben, worden ze getoond op alfabetische volgorde.

Aantal decimalen

Vul hier in met hoeveel decimalen de meetwaarde wordt getoond. Als deze optie ongedefinieerd blijft, kan het aantal decimalen per meetwaarde verschillen.

Doorgetrokken lijn

Als deze optie is aangevinkt, wordt de grafieklijn doorgetrokken als er data ontbreken. Als de optie is uitgevinkt, wordt de grafieklijn onderbroken bij ontbrekende data.

Toon in navigator

Als deze optie is aangevinkt, wordt de logvariabele in de navigator getoond.

Weergeven op mobiel

Vink deze optie aan als deze variabele ook in de analyse op mobiel getoond moet worden. Per analyseprofiel kunnen er maximaal 5 profielvariabelen op mobiel getoond worden.

Overschrijf variabeletype

Deze optie is alleen beschikbaar als er onder Instellingen Installatietypes Variabelen Presentatie een variabeletype is ingesteld. Als er op die plek een variabele is ingesteld, moet deze optie worden aangevinkt om dit variabeletype te overschrijven. Het variabeletype wordt dan alleen voor dit profiel aangepast, de standaardinstelling wordt niet aangepast. Mogelijke variabeletypes kunt u vinden en aanpassen onder Instellingen Analyse Variabeletypes.


2. Wijzig alle gewenste instellingen.

3. Druk rechtsonder op Ok.

4. Klik in de profielinstellingen op Opslaan.



Vorige | Volgende